Wapen van de familie Vernooij 17e en 18e eeuw

De afstamming van de

Familie Vernooij

Wapen van de familie Vernooij 17e en 18e eeuw
Hoofdpagina

Naar de database

Inleiding

Markante Vernooijen

Verhalen

Het wapen van de familie Vernooij

Spellingsperikelen

De Amerikaanse tak

De Werkhovense tak 17e eeuw

Kromme-Rijngebied

Kasteel Sterkenburg

Literatuur en links


Vernooijen als pachters van percelen bij het Leuterveld (Wijk bij Duurstede) in de 17e en 18e eeuw.

Gegevens over leden van de familie Vernooij zijn meestal afkomstig uit de gepubliceerde notariële archieven of uit de officiële archieven van de kerk of het lokale bestuur. Dergelijke bronnen leveren meestal nauwkeurige informatie op over de persoon of personen in kwestie, maar zijn over het algemeen schaars als het gaat om de 17e eeuw of eerder.
Een andere bron, die wel vaak verder terug gaat in de tijd zijn de overgeleverde lijsten van pachters van diverse akkerlanden, boomgaarden, weilanden, boerderijen en ander onroerend goed. Het nadeel van dergelijke bronnen is echter, dat de namen van de pachters weliswaar bekend zijn, maar dat deze personen toch moeilijk te identificeren zijn, tenzij er tegelijk ook een akte in een notarieel archief voorhanden is.
De naam Vernooij (en spellingsvarianten) komt vaak voor in dergelijke oude lijsten van pachters van landerijen in de buurt van de Kromme-Rijn. Een voorbeeld is de elders besproken boerderij en akkers bij kasteel Sterkenburg.
Hieronder een ander voorbeeld, namelijk pachters van de uiterwaarden bij het Leuterveld, ten oosten van Wijk bij Duurstede. Het gaat hier om de 'Hoge Steenweerd', de Lage Steenweerd en de 'Hoge Rootvoet'. De gegevens zijn ontleend aan "Bezitters, gebruikers en omwonenden van de Hoge Steenweerd bij het Leuterveld te Wijk bij Duurstede (1440 - 1700)" door Casper A.van Burik in het blad van de Historische Vereniging "Het Kromme Rijngebied" in 2004.

Vanwege de verandering van de loop van Rijn is de precieze geografische locatie van de genoemde uiterwaarden niet meer precies te achterhalen. Op grond van het hierboven genoemde artikel en afgedrukte kaart is hieronder de waarschijnlijke ligging grof aangegeven.
Ligging van de besproken gebieden
Hierboven de waarschijnlijke ligging van de besproken gebieden ten opzichte van de vermoede bedding van de Rijn in de 17e eeuw en weergegeven op de moderne topografische kaart als achergrond. (ontleend aan de genoemde publicatie)

Uittreksel van het genoemde artikel (voor zover van belang voor de familie Vernooij):

[..] In 1606 machtigde de op de Lage Steenweerd wonende Cornelis Jacobsz. Vernoij een procureur om het proces te vervolgen dat zijn vader Jacob Willemsz.Vernoij, als eiser, en Lubbert Torck, heer tot Heesbeen, als gevoegde, voor het Hof van Utrecht hadden aangespannen tegen Hilbrandt van Els (na diens dood tegen Onna van Els) als eigenaar, en Cornelis van Riebeeck, als diens pachter van een rijsweerd, gelegen naast de Hoge Steenweerd.
Wat vader en zoon Vernoij ertoe had gebracht de bezitter en pachter van de Hoge Steenweerd voor het Hof van Utrecht te dagen, wordt helaas niet duidelijk.
Jacob Willemsz.Vernoij had in 1603 inderdaad een civiele eis ingesteld tegen Onna van Els maar het proces vorderde niet verder dan de eerste formaliteiten waardoor de details niet aan bod kwamen. Jacob Willemsz.Vernoij en zijn zoon Cornelis waren verre verwanten van hun Wijkse en Werkhovense naamgenoten die in de twee boeken "Het geslacht Verno(o)ij. Een familie uit Wijk bij Duurstede" van Dolly Verheijen-Vernooij en "Van Vernoij tot Vernooij" van Tom en Bart Vernooij, zijn beschreven.
De tak waartoe Jacob en Cornelis Vernoij behoorden, was tenminste gedurende vier generaties gegoed op het Leuterveld.
Jacob Willemsz.Vernoij was waarschijnlijk een zoon van Willem Cornelisz.Vernoij (van Reijnoij) die in 1556 aldaar met zes morgen heerlijk goed van het Huis Amerongen werd beleend.
Reeds in 1570 woonde een Jacob Willemsz. aan de Overdijk, maar het is niet zeker dat het dezelfde betreft.
In ieder geval noemde Claesgen Willemsdr.Vernoij op 29 juli 1590 in haar testament haar "op de Weerd" wonende broer Jacob, waarmee dus waarschijnlijk de Lage Steenweerd werd bedoeld. Cornelis Jacobsz.Vernoij pachtte weliswaar de Lage Steenweerd maar bezat op het Leuterveld ook acht morgen land met "huijs en bepoting" .
In 1642 werd op dit land beslag gelegd wegens achterstallige rentebetalingen. Omdat Cornelis Jacobsz.Vernoij in Engeland verbleef, verzocht de schuldeiser de in Utrecht wonende "ordenaris op Engeland" aldaar "insinuatie" te laten doen.
Cornelis Jacobsz.Vernoij machtigde in 1647 de secretaris van Amerongen om de hiervoor genoemde zes morgen leengoed van het huis Amerongen op zijn oudste zoon Lenert Vernoij te transporteren evenals een halve hoeve land op het Leuterveld met "huijsinge ende getimmer ende bepotinge", leengoed van de Staten van Utrecht.
Cornelis Jacobsz.Vernoij beschikte dus over een aantal huizen op en om het Leuterveld. Zijn woning aan de Overdijk, mogelijk staande op de Lage Steenweerd, werd in 1653 bewoond door Hendrick Hermansz. en Hendrickgen Thonisdr. toen zij aldaar hun testament lieten opmaken. Bovendien was Jan Cornelisz.Goes in 1661 gerechtigd de huur van een huis van Cornelis Jacobsz.Vernoij bij ene Aert Cornelisz. Te incasseren.
Keren we terug naar het proces in 1606.
Lubbert Turk (Torck), de gevoegde bij de eisende partij, was gehuwd met Nicolaa van Gent, vrouwe van Heesbeen, die in 1593 met de Lage Steenweerd was beleend. Hij werd begin 1605 na het overlijden van zijn vrouw in de lijftocht aan de Lage Steenweerd bevestigd door de nieuwe leenman Cornelis van Gent.
Kort daarop verklaarde Cornelis Jacobsz.Vernoij dat hij op 21 december 1604 (twee dagen na de belening) met de heer van Loenen (Cornelis van Gent) een pachtovereenkomst had gesloten betreffende "seeckere bruijckweer geheeten den legen Steenweert" op dezelfde voorwaarden als hij voordien met de heer van Heesbeen was aangegaan.
In het noorden grensden de Hoge en Lage Steenweerd aan 24 morgen van het Ewout- en Elisabethgasthuis te Wijk. Dirck Dircksz. gebruikte dit land van 1539 tot 1574. Zijn dochter Marie, weduwe van Cornelis Vernoij, volgde hem in 1576 op, waarna de pacht eind 16de eeuw overging op Jan Cornelisz. de With.
Ten westen van de Hoge en Lage Steenweerd lag en ligt in een kromming van de Rijn de uiterwaard de Roodvoet, ook wel de Hoge Roodvoet genaamd, die evenals de Lage Steenweerd tot de Gaasbeekse leengoederen behoorde.
De bezitters van deze circa 30 morgen grote uiterwaard zijn vanaf de 15de eeuw met behulp van het Gaasbeekse leenregister goed traceerbaar. Onder de gebruikers van de Hoge Roodvoet komen weer veel bekende namen voor. De oudst bekende gebruikers worden vermeld in het register van het Oudschildgeld: in 1539 Willem Cleutingh, Peter Geurtsz. en Cornelis Hendricksz. en in 1600 Jacob Cornelisz., Jan de With en Jacob Vernoij.
In 1639 lieten Cornelis Jacobsz.Goes, Willem Hendricksz.Coot en Lenert Cornelisz.Vernoij de dan al sinds 1632 lopende pacht van de Hoge Roodvoet registreren.
Twintig jaar later pachtten Jan Jansz. in den Eng en Huijbert Dircksz. van Schaijck, beiden wonend aan de Amerongsedijk, en Lenert Cornelisz.Vernoij, wonend op de Duinen, ieder voor een derde deel voor zes jaar de Hoge Rootvoet. Voor Lenert stelde zijn vader Cornelis Jacobsz.Vernoij zich borg. De volgende vermelding van de Hoge Roodvoet vinden we in 1676 wanneer Jan Jansz in den Engh en Huijbert Dircksz van Schaijck opnieuw een pachtcontract aangaan, nu samen met Lenert Vernoijs weduwe Fijchje Mom.
Voor de weduwe Vernoij stelde haar schoonzoon Jan Goes en schoonzuster Willemina Vernoij, weduwe van Jan Martensz van der Codde te Den Haag zich borg.
De drie partijen hadden allen reeds een aanzienlijke pachtachterstand waarvoor met de pachter een betalingsregeling werd getroffen.
Voor Fijchje Mom en Huijbert Dirksz van Schaijck mocht dat niet meer baten want hun vee op de Hoge Roodvoet werd in 1678 door de verpachter in het openbaar verkocht en zij waren tevens genoodzaakt de pacht te beŽindigen.
Fijchje Mom had overigens al de nodige schulden "geŽrfd" bij het aangaan van haar huwelijk met Lenert Vernoij.
In diens boedelscheiding met zijn eerste vrouw Gerritje Cornelisdr Romeijn werd in 1654 800 gulden pachtschuld aan de heer van Nijenrode opgenomen en 600 gulden aan de heer van Meinderswijk. De betalingsproblemen zullen zeker zijn veroorzaakt door de verwoesting die de Fransen in 1672 hadden aangericht, maar ook voordien werd het platteland al geteisterd door rondtrekkende troepen. Zo verklaarden in 1666 Adriaen Goes, Huijbert van Schaijck, Leendert Vernoij en Gijsbert Elisz van Broeckhuijsen, daghuurder, allen wonend aan de Overdijk, dat op 6 januari van dat jaar omtrent 30 soldaten "sijn gecomen vanden Duijnen aff" op de hofstede van Adriaen Goes. Dat diens vrouw en de meid zodra zij de soldaten in het oog kregen "de deuren hebben toegeslaen, dat int selve toeslaen twee van de voorscreve soldaten een stock tussen de deur hebben gesteecken ende alsoo in haer weerwille in huijs gedrongen sijn, dat de selve soldaten aenstonts eijste rouw vleijs uijt de cuijp".
Adriaen Goes was daardoor genoodzaakt hen een "ribstuck uijt de cuyijp" te geven, terwijl zij tevens bij hun aftocht nog enkele kledingstukken hadden meegenomen.
Huijbert van Schaijck verklaarde dat die avond zes soldaten op zijn hofstede waren gekomen. Dat "die wilden in sijn huijs wesen seggende laet ons in wij sullen u huijs bewaren daer comen noch seven off acht hondert fransoisen aen". Eenmaal binnen eisten de soldaten eten en bleven zij "bij sijn vuer sitten". Omtrent elf uur eisten zij opnieuw eten waarna zij waren vertrokken, echter niet zonder eerst nog het duifhuis te hebben opengemaakt.
Bij Leendert Vernoij hadden vier soldaten gegeten, gedronken en geslapen "sonder enige moetwil te bedrijven", maar bij Gijsvert Elisz van Broeckhuijsen waren vijf soldaten gekomen "roepende en vloeckende dat (hij) de deur soude open doen steeckende mette rapieren door de vensters en glasen". Gijsbert wist echter met een "schootgavell in de hant" zijn deur te verdedigen, waarna zij vertrokken. Weliswaar mert medenemen van een "mans hembd, een vrouwen hembd en een kints heembd mitsgaders twee oude slaeplaeckens".
In 1683 lijkt de rust te zijn weergekeerd wanneer Jan Cornelisz Goes, Gijsbert en Jan Jansz in den Engh en Willem Jansz de Hoge Roodvoet opnieuw voor drie jaar pachten.
Van pachtschulden is dan geen sprake meer. [..]

Tot zover het aangehaalde artikel.

Een aantal akten dat betrekking heeft op het bovenstaande zijn te vinden in het Utrechts archief:

Bij akte 189-1 d.d. 20-5-1676 voor notaris W. van Velpen te Utrecht werd door Johan Franchois van Schagen, raed ter staten van Holland en Westvriesland aan Fychie Mom, wed. van Leendert Corneliss Vernoij, een weerd(1) genaamd " den Hoogen Rootvoet " gelegen aan de Amerongsendijk te Wijck, verhuurd.

Bij akte 189-2 d.d. 20-5-1676 voor notaris W.van Velpen te Utrecht had Fychie Mom, wed. van Leendert Corneliss Vernoij, aan Johan Francois van Schagen, wegens achterstallige pacht een schuld van É 541,-.

Bij akte 154 d.d.18-9-1678 voor notaris W.van Velpen te Utrecht werd door Johan Franchois Schagen overgegaan tot openbare verkoping van vee in verband met pachtschulden van Fychie Mom, weduwe van Leendert Corneliss Vernoij.

Laatst bijgewerkt op: 17 juni 2007


Vragen of opmerkingen, mail ons: